Het is al kwart voor negen als we de herberg in Vessem verlaten, want het ontbijt was pas om 8 uur.,

Al heel gauw lopen we langs het riviertje de Beerze. Er staan waarschuwingsborden over ontoegankelijkheid van het pad bij hoog water. Maar vandaag is de Beertze niet meer dan een klein slootje. Het is er prachtig wandelen. We lopen een hele tijd over een smal pad tussen hoog riet.
Later lopen we over een smal platgetrapt graspad direct naast de rivier. De rand van het pad is moeilijk te zien. Dan zet ik mijn voet iets te ver naar rechts, en glij zo het riviertje in. Maarte schrikt er harder van dan ik. En het valt echter nog niet mee om, met de rugzak en al, over de glibberige helling omhoog te komen. Gelukkig houd ik er uiteindelijk niet meer aan over dan een natte broek.

We lopen vandaag veel door bos. Erg fijn, want ‘s middags wordt het weer behoorlijk warm.
Later op de middag komen we bij de zogenaamde dodendraad, een driedubbele rij met elektrische draden uit de Eerste Wereldoorlog. Dit was een versperring langs de hele grens België-Nederland, gebouwd door de Duitsers, om vluchtelingen tegen te houden, en spionage te voorkomen. Op deze dodendraad stond 2000 Volt. Naar verluidt zijn hier destijds zo’n 800 mensen “doodgebliksemd”.

Nu lopen we in België en is het nog een heel eind naar Postel. Als we daar aankomen is een van de eerste dingen die we doen naar de abdij gaan en een stempel in het Pelgrimspaspoort halen. Het is even zoeken, maar dan vind ik een grappige, vrij jonge Norbertijn, die stempels uitdeelt.

Op naar de B&B. Het was vanavond weer tijd voor de was (elke 2e dag). Maar we waren nog maar net binnen, of de gastvrouw vroeg of ze een wasje voor ons kon draaien. Dat was wel heel fijn!
Toen we terugkwamen van het eten (met een Postel biertje natuurlijk) hing de was schoon en droog op het wasrekje in de tuin.